woensdag 31 december 2008

Zelf superheld worden


Eigenlijk een uitstekend voornemen voor het met rasse schreden naderende nieuwe jaar: zelf superheld worden. Nogal wat Amerikanen voegen sinds een tijdje de daad bij het woord en snellen, gemaskerd en in een nauwsluitend lycrapakje gehuld, de mensheid ter hulp. Ze noemen zichzelf Terrifica, Mr. Invisible, The Master Legend, Mr. Silent, The Green Scorpion, The Ace, The Disabler, Genius Jim, The Black Panther of -dit is een duo- Fire and Brimstone en waken over de stad als de brave burgers slapen.

In de praktijk valt het ook wel eens tegen, lezen we in twee artikelen over deze nieuwste sociale beweging, respectievelijk in Rolling Stone en in The Times. Zo werd Mr. Invisible recent door een klein meisje een gebroken neus gemept en door een dronkaard beplast:

“After months of designing my costume, getting my street moves just right, it was my first week out as a Real Life Superhero – and probably my last. This tiny, tiny girl did not like me trying to calm down her screaming boyfriend. She blindsided me, I’m still bruised. It’s dangerous out there,” said the deflated would-be crime fighter last week. Mr Invisible is cheered that at least his grey one-piece “invisibility suit” works, proven when a drunk urinated on him in an alley. But he is weary of lurking in dark, down-town Los Angeles after dark.

De mensheid wil gewoon niet worden gered, vernemen we: “I was out every night, 8pm until 2am, hanging about all the bad corners and nothing happened, nada, zip. It was raining: even the drug dealers were at home. And often cops are just too good at their jobs.”

Mr. Invisble houdt het dan ook voor bekeken: The 29-year-old graduate is “refocusing” on his day job as an insurance salesman. His farewell appearance will be at a New Year’s Eve party.

En dat brengt ons bij het thema voor vandaag: wat wensen we voor het volgende jaar voor onszelf en voor de medemensen? Uiteraard iedereen de opperbeste gezondheid en herhaalde lottowinsten. Maar misschien vooral ook: dat de mensen elkaar wat meer met rust zouden laten. Dat is al heel wat.

Het prentje: twee nieuwe superhelden, respectievelijk The Master Legend (in het zilver) en zijn trouwe knecht The Ace (in het rood). Het prentje is van fotograaf Stefan Ruiz en verscheen in Rolling Stone.

Wat ons zo geweldig voor deze jongens inneemt, is de aantoonbare huisvlijt waarmee hun superheldendom gepaard gaat. The Ace draagt gewone rubberen laarzen, die hij weliswaar enigszins met roodkleurige tape heeft gecustomized. En The Master Legend draagt het soort arm- en kniebeschermers waarmee opgroeiende jongens en meisjes zich op hun skateboards wagen. Helden van en voor deze tijd!

dinsdag 30 december 2008

De schuld van Dickens


Kerstmis behoort wit te zijn, klinkt door de luidsprekers in stations en winkelcentra. Kerstkaarten laten besneeuwde kerstbomen zien, jongens en meisjes die ijspret beleven of die samen een sneeuwman maken. Maar hoe vaak sneeuwde het de laatste honderd jaar eigenlijk op kerstdag? Precies zeven keer, zocht The Times uit.

En voor zover we daar betrouwbare gegevens over hebben: in de negentiende eeuw lag het gemiddelde van witte kerstmissen niet veel hoger. In regel is het op kerstmis koud en nat. Vaak vriest het ook. Maar sneeuwen, dat is vrij uitzonderlijk.

Van waar komt dan dat beeld van een traditionele witte kerst? En nog vreemder, waarom is elk van ons bereid onder eed te zweren dat het vroeger, in de eigen jeugd, wél regelmatig sneeuwde op kerstavond?

Blame Dickens, meent de Times. Ons beeld van kerst wordt in grote mate bepaald door de Dickensiaanse kerstverhalen waarmee we opgroeien. Hopen sneeuw, de warme gloed van kaarsvuur en open haard, kerstzangertjes die door de straten trekken, het Leger Des Heils dat een deuntje speelt, pittoresk maar sympathiek uitziende bedelaars die ons het allerbeste toewensen in ruil voor wat kleingeld, brave kindjes die met hun neus gedrukt staan tegen de etalages van gezellig verlichte bakkerszaken en snoepwinkels. Ha, kerstmis!

Toen Charles Dickens in 1843 A Christmas Carol schreef, de moeder van alle kerstverhalen, was kerst zoals nu: nat, niet echt koud en meestal zonder sneeuw. Maar Dickens herinnerde zich de kerst van zijn jeugdjaren. Dickens groeide op tijdens de jaren 1810, het koudste decennium van de negentiende eeuw en het koudste sinds de jaren 1690. Toen lag er effectief elk jaar op kerstavond sneeuw.

Het was vreselijk koud in Dickens' jonge jaren. Het gevolg wellicht van atmosferische storingen, te wijten aan een vulkaanuitbarsting aan de andere kant van de wereld. In 1815 barstte de Indonesische Tambora-vulkaan uit. Gigantische hoeveelheden rook en puin werden in de atmosfeer geblazen en hielden het zonlicht tegen. Sindsdien staat 1816 bij meteorologen bekend als Het Jaar Zonder Zomer.

Het prentje: vermoedelijk in die dagen geschilderd, Sir Henry Raeburn, The Reverend Robert Walker Skating on Duddington Loch. Vermoedelijk, benadrukken we. Want hoewel het schilderij vandaag een icoon is van de Schotse identiteit -het figuurtje van de schaatsende dominee wordt ondermeer als logo gebruikt door de Schotse National Galleries- hebben kunsthistorici de grootste twijfels bij de datering, het auteurschap en het onderwerp van het schilderij. Mogelijk is het van Franse makelij en mogelijk is zelfs het landschap niet Schots.

Wanneer wordt iets een aloude traditie of bijzonder typisch voor een streek of gemeenschap? Als we met z'n allen vergeten dat het wellicht anders is geweest dan we ons herinneren.

maandag 29 december 2008

En God sprak tot Weinland


Zouden Ronald Weinland (prentje) en zijn volgelingen nu niet een heel klein beetje beginnen twijfelen? Zouden ze elke dag met een steeds banger hartje naar de kalender kijken? Proberen ze in elke gebeurtenis in de wereldpolitiek alsnog een teken te zien van de verwachte apocalyps? Stellen ze nu hun laatste hoop op een snelle escalatie van het conflict in Gaza?

Ronald Weinland is één van die bevoorrechte mensen die een rechtstreekse toegang hebben tot God. En God sprak tot Weinland en liet hem weten dat het bijna gedaan is met de wereld. We halen zelfs het einde van dit jaar, 2008, niet, verduidelijkte de Allerhoogste. Aan Weinland de opdracht om de mensen daarvan op de hoogte en alsnog tot inkeer te brengen.

Of Weinland die opdrachten tot een goed einde heeft kunnen brengen, durven we betwijfelen. Niet zoveel mensen zijn doordrongen van het feit dat we collectief nog slechts enkele dagen voor de boeg hebben. Net zo min als er veel mensen zijn die zich inmiddels bekeerden tot Weinlands Kerk van God.

Voor wie zich een idee wil vormen van wat ons de volgende dagen nog te wachten staat: je kunt Weinlands boek, 2008 - Gods Laatste Getuigenis, online lezen. Je kunt het ook gratis bestellen. Alhoewel: als Weinsteins volgelingen de voorspellingen van hun geestelijke leider ernstig nemen, noteren ze vandaag geen bestellingen meer. Wie nu bestelt is immers te laat: je krijgt het boek nooit meer voor het einde van het jaar, en dus der dagen, door de post thuis bezorgd.

Wat Weinland voor heeft op andere profeten, is dat zijn voorspellingen toetsbaar zijn. Andere profeten maken er zich vaak gemakkelijk van af door vage en dubbelzinnige boodschappen te formuleren. Dat soort voorspellingen kan je dan in alle richtingen interpreteren, zodat de profeet er altijd goed uit komt. Weinland is rechttoe, rechtaan: de wereld haalt het einde van 2008 niet.

En wat als de wereld op 1 januari 2009 gewoon verder draait? Tja, de geschiedenis leert dat profeten en hun volgelingen zich zelden door dit soort feitelijke weerleggingen van de wijs laten brengen.

De psycholoog Leon Festinger maakte in 1956 een klassieke analyse, When Prophecy Fails, van een cultusbeweging die er van overtuigd was dat de wereld op een specifieke dag ten onder zou gaan en de cultleden door UFO's zouden worden opgepikt. Toen de bewuste dag kwam en de wereld tegen alle verwachtingen toch besloot verder te doen, gingen ook de cultleden gewoon verder met leven en geloven. Ze wapenden zich tegen de ontgoocheling met een psychologisch mechanisme dat Festinger reductie van cognitieve dissonantie noemde.

Massa's mensen weten dat je van roken kanker krijgt en toch blijven ze vrolijk voortpaffen. Hoe rijmen ze dat? Door de cognitieve dissonantie -de tegenstelling tussen de twee boodschappen "roken is lekker" en "roken geeft kanker"- te reduceren. Rokers zijn daar goed in. Ze kunnen je uitleggen dat a) je toch van iets moet doodgaan, b) ze niet diep inhaleren, c) ze alleen lichte sigaretten roken, d) er ook veel dokters roken, e) veel van de studies over het verband tussen roken en kanker alleen over muizen gaan en niet over mensen, f) je van roken dun blijft en er meer mensen dood gaan van overgewicht dan van roken.

Ja, we hebben per slot van rekening zelf ook nog gerookt.

Terug naar Festingers volgelingen van de profeet. Hoe leefden die verder toen de wereld niet verging? Door zichzelf en anderen wijs te maken dat de wereld effectief zou zijn vergaan, ware het niet dat de leden van de cultus zo geweldig hard hadden gebeden dat God alsnog besloot de wereld te redden. Geen cognitieve dissonantie meer.

Benieuwd hoe Weinland en zijn volgelingen op nieuwjaarsdag zichzelf en de anderen uitleggen waarom de grote kladdaradatsch is uitgebleven.

zondag 28 december 2008

Afghaans kerstsprookje


Vroeger lijmden we de inboorlingen met kraaltjes en spiegeltjes. Nu hebben we, vernamen we in The Washington Post, potentiepillen.

Interessant strategisch vraagstuk ook: hoe motiveer je mensen tot coöperatie, waarmee kan je ze belonen? Als je Afghaanse stammenleiders met wapens probeert aan je kant de kant te krijgen, bestaat altijd het risico dat die wapens uiteindelijk in vijandige handen terecht komen of dat ze ooit tegen jou zullen worden gebruikt. Geef je ze geld of ander zichtbaar waardevols, dan zal dat opvallen en als een lopend vuurtje rondgaan, wat terughoudende Afghanen niet tot medewerking zal verleiden. Hoe dan wel?

Met viagra: een Afghaans kerstsprookje.

The Afghan chieftain looked older than his 60-odd years, and his bearded face bore the creases of a man burdened with duties as tribal patriarch and husband to four younger women. His visitor, a CIA officer, saw an opportunity, and reached into his bag for a small gift.

Four blue pills. Viagra.

"Take one of these. You'll love it," the officer said. Compliments of Uncle Sam.

The enticement worked. The officer, who described the encounter, returned four days later to an enthusiastic reception. The grinning chief offered up a bonanza of information about Taliban movements and supply routes -- followed by a request for more pills.

For U.S. intelligence officials, this is how some crucial battles in Afghanistan are fought and won. While the CIA has a long history of buying information with cash, the growing Taliban insurgency has prompted the use of novel incentives and creative bargaining to gain support in some of the country's roughest neighborhoods, according to officials directly involved in such operations.


(Het prentje: Afghaanse stamhoofden, ten tijde van de eerste Brits-Afghaanse oorlog, 1839.)

zaterdag 27 december 2008

Toen was het koud


Noemen jullie dit koud? Man, dit is niets. In de winter van 60-61, tijdens de Grote Staking, vroor het wel zes maanden aan een stuk. Sneeuw tot onder je oksels, van november tot eind april. We gingen boodschappen doen per slee, met de hond er voor gespannen. In de Kempen dwaalden opnieuw wolven rond, op zoek naar eten. Als je 's morgens opstond moest je je pantoffels ontdooien voor je ze kon aantrekken. Eén van de buren dacht het bevroren slot van zijn voordeur los te krijgen door er even op te blazen. Ogenblikkelijk vrozen zijn lippen er aan vast. Pas tegen mei hebben ze hem weer losgekregen. Toen was het koud.

Ja, ja, opa.

Mooie prentjes van Antarctica (hier klikken en dan met je scroller naar beneden rollen). Van plekken waar ooit mensen leefden. En waar, nadat die mensen weer wegtrokken, alles bleef zoals het was en de elementen nu gestaag hun gang gaan.

Op het prentje bovenaan: de overgebleven mondvoorraad in de poolhut van ontdekkingsreiziger Robert Scott op Ross Island. Van daaruit probeerde die in 1911 als eerste de Zuidpool te bereiken. Scott en vier anderen - Edward Wilson, H. R. Bowers, Laurence Oates en Edgar Evans - bereikten de pool op 17 januari 1912 om daar te constateren dat het Noorse team onder aanvoering van Roald Amundsen er een paar weken eerder al was geweest. Alle vijf stierven ze op de terugweg. De laatste drie -Scott, Wilson en Bowers– waren tot op 11 mijl van het basiskamp genaderd toen ze van ontbering stierven.

Toen was het koud.

vrijdag 26 december 2008

De enige echte Catwoman


Eartha Kitt, door Orson Welles ooit omschreven als de meest opwindende vrouw ter wereld en bij oudere jongeren vooral gekend als de enige echte Catwoman (prentje) in de Batmanreeks uit de jaren zestig, is op kerstdag gestorven.

Eartha Kitt was actrice en zangeres, maar ook een vrouw van uitgesproken overtuigingen. In een tijd toen je als artiest nog echt het risico liep je carrière om zeep te helpen door je mening te geven over de grote maatschappelijke thema's, nam Eartha Kitt nooit een blad voor de mond. Er wordt verteld dat ze in de vroege jaren zestig, tijdens een artiestenlunch op het Witte Huis, de vrouw van president Johnson aan het wenen kreeg toen ze nogal nadrukkelijk uitlegde hoe fout de Amerikaanse aanwezigheid in Vietnam wel was.

Een mooi liedje van Eartha. Eartha Kitt beheerste nogal wat talen. Maar ze klinkt toch het allercharmantst in het Frans: C'est si bon (filmpje).

Iets helemaal anders. Niemand verwacht van zangers, dansers of acteurs dat ze meningen hebben over politiek. Dat verwacht je per slot van rekening ook niet van de slager of de computerprogrammeur. Als mensen, in welke beroepssfeer dan ook, een zeker maatschappelijk engagement willen vertonen, dan moeten ze dat vooral ook doen. Maar dan helpt het natuurlijk wel dat ze zich enigszins informeren over de zaak die ze genegen zijn.

Waar we een beetje puistjes van krijgen is de beate Che-cultus die zich van Hollywood meester heeft gemaakt. Allerlei Oscarwinnende domoren, waarvan de kennis over Che zich vermoedelijk beperkt tot wat ze er tijdens de musical Evita van hebben opgestoken, laten zich regelmatig ontvallen hoe groot hun bewondering voor Che wel niet is.

Voor wie zich ook een mening wil vormen en wel eens een ander geluid wil horen: een filmpje van de mensen van Reason over Hollywoods love affair met Che.

donderdag 25 december 2008

Rastajoden en islampunks


De gelovigen nooit onderschatten! Vroeger hanteerden ze als regel: als het leuk is, mag het niet. Dat was overzichtelijk. Zowel voor de gelovigen als voor de ongelovigen.

Fijne liedjes bijvoorbeeld, die waren per definitie heidens of des duivels. Het gevolg was een duidelijke taakverdeling. Saaie muziek: voor het gelovige volksdeel. Opwindende deuntjes: de ongelovigen.

Maar de gelovigen kregen door dat het niet zo slim was de beste melodieën aan de duivel te laten. En daardoor krijg je vandaag merkwaardige mengvormen. In de New York Times hadden ze het onlangs over islampunks: jonge moslimamerikanen die proberen tezelfdertijd goede moslims en goede punks te zijn. En wat te denken van deze leukerd? Matisyahu, een orthodoxe jood die zich van reggae en rap bedient om de goede boodschap te brengen (filmpje).

Waar blijven de ongelovigen? Wanneer begint het Humanistisch Verbond een boysband? Welke atheïstische hiphopper maakt in het binnenkort van start gaande Darwinjaar iets wervends over de evolutietheorie? Kunnen eventuele agnostische gitaargroepjes een teken van leven geven?

Dan maar iets uit overzichtelijker tijden. Roy Wood met de ultieme kerstsingle: I Wish It Could Be Christmas Everyday (filmpje). Zoals je merkt was er, in 1973, nog geen sprake van een wapenbestand tussen gelovigen en ongelovigen. Zowel de presentator van het programma in kwestie als Roy Wood, zien er uit alsof ze door de duivel zelf betaald werden om onschuldige kinderzieltjes in het verderf te storten. Wat vermoedelijk daadwerkelijk ook het geval was.

Met Roy Wood, één van de helden uit onze jeugd, is het overigens allemaal nog goedgekomen. In januari 2008 kreeg hij zowaar een eredoctoraat van de Universiteit van Derby als "one of the most significant British musicians of post rock and roll popular music history, contributing to Glam Rock, Rock, Progressive Rock, and Psychedelia" (einde citaat).

En op zijn officiële website lees je ook dat Roy nu jingles maakt voor het zoutjesmerk Pringles. Iemand moet het doen, zullen we maar denken.

woensdag 24 december 2008

Haardvuurvideo


Het absolute kerstgevoel veronderstelt natuurlijk een open hardvuur. En ziet: als er een vraag bestaat, duurt het nooit geweldig lang of er volgt ook aanbod. Of: als je nog niet weet dat je met een vraag zit, is er altijd wel een aanbieder die je van dat gemis tracht bewust te maken.

Niet iedereen is, tot meerdere eer en glorie van de kerstsfeer, bereid om maar meteen een open haardvuur in zijn huisje of appartement te installeren. Geen nood: the next best thing is al voor een redelijk prijsje voorradig. Een bescheiden, maar desalniettemin lucratief deel van de kerstmarkt wordt dezer dagen ingenomen door de producenten van haardvuurvideo's.

In de New York Times vandaag een informatief stuk over dat deel van de kerstindustrie. Je kunt, lees je, traditioneel geinspireerde dvd's bestellen die ongetwijfeld waarmaken wat ze in de titel beloven: Ambient Fire of The Happy Holiday Hearth. Een fijn haardvuur en stemmige kerstmuziek verzekerd.

Maar ook de meerwaardezoekers, de Canvaskijkers onder ons, vinden hun gading met Fireplace: Visions of Tranquility. Die dvd "has intense, almost Bergmanesque cinematography. One of its options, Night Music, begins with a menacing close-up of a match being struck, and for the first few minutes the camera is so close to the log that it looks like a telescopic image of the moon’s surface".

En voor de minder fijn besnaarde lieden zijn er aanbiedingen zoals de tot de verbeelding sprekende Yule a Go-Go-dvd waarop, vernemen we, ”dancers like Ms. Tickle and Bunny Love perform tassled, spangled burlesque-style stripteases to Christmas carols in front of a roaring fire". "Not quite as faithful to the Christmas spirit", besluiten ze in de krant, "but it is likely to make many merry gentlemen all the merrier".

Zoals je in het artikel in de NYT verneemt begon destijds, in de jaren tachtig, de New Yorkse zender WPIX als eerste op kerstdag haardvuurscènes uit te zenden. Als kerstbonus voor onze trouwe lezers: een stukje (filmpje) uit the mother of all haardvuurvideo's.

Ho, ho, ho!

dinsdag 23 december 2008

Tafelbier


Zondag werd Romanie Pollet uit Ganshoren honderdentien (Gazet van Antwerpen, 23.12.08). Geweldig natuurlijk voor Romanie. En zoals het in die gevallen altijd gaat, informeert de reporter van dienst dan uitvoerig naar de eet- of drankgewoonten van de jarige.

Romanie Pollet drinkt nog elke dag twee biertjes, vernemen we. “Geen pils, maar licht tafelbier”, zet rusthuisdirecteur Philip Callewaert de puntjes op de i. “Wij voeren haar zeker niet dronken. Romanie praat niet meer, ze kan niet meer stappen, ze zit in haar zetel naar de radio te luisteren. Maar voor de rest is haar gezondheid nog prima. Romanie komt toe met twee pilletjes per dag en ze eet altijd met veel goesting frieten en filet américain.”

Tafelbier. Wordt dat eigenlijk, behalve in rusthuizen, nog gedronken? Aan dat soort dingen merk je dat je uit een andere tijd komt. Toen wij een jaar of acht waren dronken we, bij het avondmaal, tafelbier mee met de volwassenen. En dat was geenszins uitzonderlijk. Dat ging toen gewoon zo bij ons soort mensen. Iedereen dronk tafelbier. Grote beugelflessen, bijvoorbeeld van Piedboeuf. Donker of lichtbruin. Het donkere was het zoetste, dus dat kregen de kinderen.

De gewoonte om tafelbier te drinken in volksere middens was vermoedelijk nog een overblijfsel uit een ver verleden, toen iedereen de hele dag, bij de maaltijden, licht bier dronk. Water was in die tijden sowieso een gevaar voor de volksgezondheid, dus zat je met bier veilig. En gegeven het uitermate lage alcoholgehalte moest je ook niet vrezen dat iedereen er de hele dag redelijk teut bij liep. Vandaar.

Als je vandaag vertelt dat je als achtjarige al vrolijk mee bier drinkt, worden je ouders aangeklaagd voor kindermishandeling en wordt je de rest van je jonge leven van de ene therapeut naar de andere welzijnswerker gesleept. Toen was dat normaal.

Er werd, laten we maar even chargeren, vroeger minder hysterisch gedaan over drank. Nu schiet iedereen in een kramp wanneer het over minderjarigen en alcohol gaat. En net dat hysterische gereageer maakt a) alcohol alleen maar aantrekkelijk voor de snotneuzen en b) bereidt ze slechter voor op een normale omgang er mee.

Geloof ons: als je op je achtste aan het tafelbier gaat, eindig je niet, op je dertiende, vodka lurkend in de goot. Alcohol wordt integendeel iets waarmee je normaal leert omgaan. Rond de tijd van je Plechtige Communie mocht je vroeger mee aperitieven. Een klein glaasje van iets zoets, iets wat ze ook oma's en bejaarde tantes voorschotelden, bijvoorbeeld. En rond die tijd werd er ook voor jou, bij huwelijken en gouden bruiloften, wel eens een glaasje wijn geschonken. En als je met de ooms mee voetbal ging kijken, mocht je af en toe van iemands pint proeven.

Dat maakt dat je, tegen je zestiende, als je begon uit te gaan, je niet als een radeloze op de alcohol stortte. Alcohol was immers niet zo bijzonder. Meestal zelfs niet speciaal lekker, had je proevenderwijs geleerd.

Verbied opgroeiende jongens en meisjes met elkaar om te gaan en ze denken geheid de hele dag aan niets anders. Maak ze bang voor alcohol en van zodra ze de kans zien gieten ze zich vol.

Zo ingewikkeld zitten jonge mensen nu ook weer niet in elkaar. Tafelbier, daar worden ze groot van.

(Het prentje: twee heren van stand, mijmerend bij, misschien, een glaasje tafelbier.)

maandag 22 december 2008

De akg-Literatuurprijs 2008: de genomineerden


Vandaag de bekendmaking van de genomineerden voor de almaar kleiner groeien Literatuurprijs 2008. Om in aanmerking te komen moeten het boeken zijn die we a) het afgelopen jaar hebben gelezen, b) die we -uiteraard- de moeite waard vonden en c) die op enige manier de filosofie van deze site belichamen. De genomineerden van dit jaar zijn, in alfabetische volgorde:


Bill Bryson, Shakespeare: The World as a Stage , The Life and Times of the Thunderbolt Kid en A Short History of Nearly Everything. Respectievelijk: hoe schrijf je de biografie van iemand waar we eigenlijk zo goed als niets van afweten, hoe schrijf je over je jonge jaren dat het universeel herkenbaar wordt en hoe leg je wetenschap uit aan mensen die werkelijk van niets weten. Zo, dus.

Chris Buskes, Evolutionair denken. De invloed van Darwin op ons wereldbeeld. Volgend jaar wordt een Darwinjaar. Wie dit boek heeft gelezen is er helemaal klaar voor.

Michael Chabon, The Final Solution. Met Sherlock Holmes die op pensioen is en bijen kweekt. En met een niet-sprekend jongetje en een sprekende papegaai. En dan verdwijnt de papegaai.

Demetrios Eames, An Eames Primer. De kleinzoon van het designer-echtpaar Eames schrijft de geschiedenis van oma en opa. Fijne mensen, enthousiasmerend boekje.

Richard Fortey, Dry Store Room n°1. The Secret Life of the Natural History Museum. De mooiste baan ter wereld: conservator in het Londense Natural History Museum.

Robert H. Frank, The Economic Naturalist: Why Economics Explains Almost Everything. Alles wat je ooit aan een econoom had willen vragen, maar niet durfde, omdat je dacht dat je het antwoord toch niet zou begrijpen.

Henk 't Hart, Het mooiste leven. Het seizoen 2000/2001 van SC Heerenveen. Schrijver trekt een jaar op met voetbalclub. En er groeit iets moois: wederzijdse interesse en begrip.

Kitty Hauser, Bloody Old Britain. O.G.S. Crawford and the Archeology of Modern Life. Bijzonder boek over een bijzonder mens: de pionier van de luchtvaartarcheologie.

Ian Mortimer, The Time-travellers Guide to Medieval England: A Handbook for Visitors to the Fourteenth Century. Het middeleeuwse leven alsof je er bij was, een Lonely Planet Guide voor de veertiende eeuw.

William A. Shack, Harlem in Montmartre. A Paris Jazz Story between the Great Wars. Over de tijd toen je als zwarte muzikant nergens beter af was dan in Parijs.

Daniël Vanacker, Een averechtse liberaal. Leo Augusteyns en de liberale arbeidersbeweging / Van activist tot antifascist. Leo Augusteyns en het Vlaams-nationalisme . Over een zo goed als vergeten stuk arbeidersgeschiedenis: liberale vakbonden, mutualiteiten, coöperatieven en, vooral, bakkerijen.

Jean-Paul Van Bendegem, Over wat ik nog wil schrijven. Het soort boek waar je van denkt: dat had ik ook willen schrijven.

Jamie Whyte, Bad Thoughts: A Guide to Clear Thinking. Zorgvuldig nadenken: mensen zouden het vaker moeten doen.


Het wordt ongetwijfeld moeilijk kiezen, maar toch wordt er eerstdaags een winnaar bekendgemaakt.

(Het prentje: Boekenwiel, Recueil d’Ouvrages Curieux de Mathématique et de Mécanique, Gaspard Grollier de Servière, 1751)

zondag 21 december 2008

In andere culturen


In andere culturen hebben dingen een andere betekenis, wordt ons steeds weer uitgelegd. Neem nu die Iraakse schoenengooier die het op de Amerikaanse president had gemunt. In de islamitische cultuur is, leren we, schoenen gooien niet zomaar schoenen gooien.

Schoenen zijn om allerlei redenen onrein, vernemen we. Daarom dat je zelfs, in een beschaafd gezelschap, niet wordt geacht het ene been over het andere te kruisen, want dan verschijnt je schoenzool in beeld en dat is beledigend. Schoenen doe je in huis uit en laat je buiten staan als je ter moskee gaat. Bij voorkeur draag je ze in die gevallen dan ook nog eens in je linkerhand, want die is voorbestemd om zich over onreine dingen te ontfermen. Dus, samenvattend: geen grotere belediging dan een schoen naar iemands hoofd gooien. Vandaar dat, in islamitische landen, een hoogtepunt bij het betogen of demonstreren ook altijd het vertrappelen is van de vlag of foto van je politieke tegenstander.

Nu zijn er vermoedelijk niet zoveel culturen waar het elkaar met schoenen bekogelen of het met de voeten treden van andermans afbeeldingen als een teken van waardering en respect wordt gezien. Bovendien leidt al dat in de verf zetten van culturele verschillen maar af van wat wezenlijker is: wat we met elkaar delen. En ook daarop werpt het schoengooi-incident nieuw licht.

Zo blijkt de Turkse fabrikant van het model schoen dat Bush naar zijn hoofd kreeg, een universeel menselijke reflex te vertonen: hij probeert het incident te gelde te maken. De bruine, met een logge, dikke zool uitgevoerde schoen blijkt al jaren op de markt te zijn, luisterend naar de niet tot de verbeelding sprekende naam Model 271. Maar nu, kan je lezen, overweegt schoenproducent Ramazan Baydans, eigenaar van de firma Baydan Ayakkabicilik San. & Tic. , het model in kwestie te herdopen als “The Bush Shoe” of “Bye-Bye Bush”.

Baydan heeft, sinds het incident, bestellingen ontvangen voor 300.000 paar schoenen, vier keer meer dan in normale tijden. Er staan honderd aanwervingen van nieuwe medewerkers op stapel. Alleen al in Irak verkocht Baydan in één week 120.000 paar van het bewuste model. Ramazan Baydan heeft inmiddels ook al een reclame-agentschap ingehuurd om televisiespotjes te maken, bestemd voor de ruimere islamitische markt.

Waarmee we maar willen zeggen: zo verschillend zijn onze islamitische medemensen dan blijkbaar toch ook niet. Als er zaakjes kunnen worden gedaan, gelden er blijkbaar universele regels.

Overigens: Baydan heeft, na het incident, ook een bestelling uit de Verenigde Staten ontvangen. De firma Davidson, uit Maryland, zag ook wel een gat in de markt en laat alvast 4000 paar van Model 271 aanrukken.

(Het prentje: René Magritte, Modèle Rouge, 1937)

zaterdag 20 december 2008

Vestimentaire exploratie


De mensheid gaat wel vaker door fasen van collectieve verdwazing. Neem nu de jaren zeventig. Wie die zelf heeft meegemaakt denkt met tenenkrommende schaamte terug aan hoe we er toen met z'n allen bijliepen. Iedereen was het noorden kwijt. We hadden werkelijk geen benul meer van wat mooi en lelijk was. Zelfs, bewijst dit filmpje, het voetballende deel van de natie (even geduld oefenen: zo rond seconde 25 geht's loss).

En, jonge lezertjes, zo liep iedereen er toen bij. Ook oma en opa (zie prentje). De volgende keer dat ze je aanspreken op je slobberende jeans, het haar in je ogen of de onmogelijk hoge hakken waarop je je probeert voort te bewegen: toon ze dit filmpje. Spreek ze superieur en bestraffend toe: wie zijn jullie om over goede smaak te oordelen. Die zit.

En, nog een goede raad, zorg dat later je eigen nageslacht nooit foto's onder ogen krijgt van toen je zelf op het hoogtepunt van je vestimentaire exploratiefase verkeerde.

De mensheid gaat wel vaker door fasen van collectieve verdwazing.

vrijdag 19 december 2008

De vrije en onvrije olifant


Dat soort dingen vinden wij dan wel interessant: er is een olifantje op komst in de Antwerpse Zoo (Gazet van Antwerpen, 18.12.08). Meer nog: er is een website waar je, als het zo ver is, de geboorte in real time kan meemaken. En het houdt niet: op die website kan je dan ook nog eens mee namen suggereren voor de boreling.

Al dat soort fijne dingen mag ons evenwel niet doen vergeten dat olifanten niet gemaakt zijn om in dierentuinen te leven. Gisteren lazen we in de krant dat dierentuinolifanten gemiddeld minder oud worden dan vrije exemplaren (Volkskrant, 18.12.08)

Wetenschappers bestudeerden 4.500 Afrikaanse en Aziatische olifanten en vergeleken die met soortgenoten in dierentuinen. De mediane leeftijdsverwachting van Afrikaanse olifanten in dierentuinen is 17 jaar, van vrije Afrikaanse exemplaren 56 jaar. Bij Aziatische olifanten in gevangenschap ligt de levensverwachting op 19 jaar, terwijl die voor de vrije soortgenoten op 42 jaar ligt.

Wat speelt mee? De kalversterfte is groter in dierentuinen. Olifanten blijken verhuizingen tussen dierentuinen niet goed te verteren. Ze zijn ook vaker ziek, kreupel of onvruchtbaar.

En olifanten in de vrije natuur doen dan bovendien nog veel goeds voor de andere dieren, lees je dan weer in New Scientist.

Vaak hoor je dat er inmiddels al weer teveel wilde olifanten zijn die daardoor een bedreiging zouden vormen, niet alleen voor de mens die graag land verbouwt, maar ook voor de andere dieren. Niets van, toont de Franse onderzoekster Marion Valeix aan op basis van een studie van het wildleven in Zimbabwe. Verstopt in het struikgewas observeerde ze, samen met haar medewerkers, de dieren die zich kwamen laven aan een waterpoel.

Her team found that members of nine herbivore species (including buffalo, zebra, warthog and wildebeest) rarely backed off when elephants were around. Instead, all herds increased their drinking time - normally between 5 and 10 minutes - by around 2 minutes. Valeix says elephants may make other herbivores feel safe from predators. "I have seen lions approach to hunt buffalos at a water hole and retreat when a group of elephants came closer and surrounded the buffalos."

Laat ons de olifant loven en prijzen.

(Het prentje: Thane Bierwert, Museum Staff Cleaning Elephant Skin, 1933.)

donderdag 18 december 2008

Als je president bent mag alles


Een nieuw huis! Geweldig spannend allemaal. Hoe zetten we de meubeltjes? In welke kleur schilderen we ramen en deuren? Wordt dit de hobbykamer of slapen hier de meisjes? Behang kiezen. Nieuwe zetels. Bijpassende kussens uitzoeken. Man, geweldig veel beslissingen te nemen. Je bent niet voor niets president van de Verenigde Staten.

Zo'n Wit Huis: massa's kamers, adembenemend veel mogelijkheden. En, uiteraard, de hele wereld kijkt mee. Dat zijn de dingen waar je, campagnevoerend, vermoedelijk niet mee bezig bent. En dan is het zover en wil je de economie en het milieu gaan redden en de jongens terughalen uit Irak. En dan betrap je jezelf er op dat je dagenlang vloerbekleding en bijzettafeltjes staat uit te kiezen en dat je dochters ruzie maken over wie dat leuke kamertje op zolder krijgt. Ojee, het ambt van president van de Verenigde Staten leek een stuk spannender toen je het nog niet was.

Hoe deden Obama's voorgangers dat? Op bovenstaand prentje kunnen we binnenkijken bij de Nixons. Verrassend modern, dat landschapsbehang. Gedurfd dat blauw. Nogal wat mensen zouden terugdeinzen: oogt dat niet wat koud? Neen hoor, besloten de Nixons. Als je een beetje durft overdrijven met de rest van de aankleding -een geweldig grote kroonluchter, bijvoorbeeld, en een enigszins over the top spiegel- wordt het allemaal weer bijzonder leefbaar. Hoe andere presidenten het Witte Huis decoreerden lees je hier.

Waar de Obama's alleszins al uit zijn, is wie er optreedt op de inauguratie. Vandaag kon je het programma bekijken:

-Musical Selections, The United States Marine Band
-Musical Selections, The San Francisco Boys Chorus and the San Francisco Girls Chorus
-Call to Order and Welcoming Remarks, The Honorable Dianne Feinstein
-Invocation, Dr. Rick Warren, Saddleback Church, Lake Forest, CA
-Musical Selection, Aretha Franklin
-Oath of Office Administered to Vice President-elect Joseph R. Biden, Jr. by Associate Justice of the Supreme Court The Honorable John Paul Stevens
-Musical Selection, John Williams, composer/arranger, Itzhak Perlman, Violin, Yo-Yo Ma, Cello, Gabriela Montero, Piano, en Anthony McGill, Clarinet
-Oath of Office Administered to President-elect Barack H. Obama by the Chief Justice of the United States, The Honorable John G. Roberts, Jr.
-Inaugural Address The President of the United States, The Honorable Barack H. Obama
-Poem, Elizabeth Alexander
-Benediction, The Reverend Dr. Joseph E. Lowery
-The National Anthem, The United States Navy Band "Sea Chanters"


Dat klinkt behoorlijk avondvullend. Vooral uitkijken naar Aretha Franklin. Hopelijk brengt ze Think, een geweldig nummer. Zeker wanneer, zoals in de Blues Brothers-film, uitgevoerd met pantoffels aan en een schort voorgebonden (filmpje).

Het allergezelligst was het toch ten tijde van de Reagans. Kijk eens hoe knus Ronald en Nancy het Witte Huis hadden gemaakt. Even uit de schoenen, dacht Nancy. Gelijk had ze. Als je president bent -of vrouw van de president- mag alles.

woensdag 17 december 2008

Malaria in Zeeland


In 1520 reist Albrecht Dürer door de Nederlanden. Tijdens die reis houdt hij een dagboek bij. Dat dagboek is nu, in vertaling, uitgegeven (Reis naar de Nederlanden, Uitgeverij Hoogland & Van Klaveren, 2008). Fascinerende lectuur.

Dürer blijkt vooral een zakenman en boekhouder te zijn. Elke uitgave wordt nauwkeurig genoteerd. Dürer verkoopt, waar hij kan, tekeningen en schilderijen en koopt allerlei bijzondere voorwerpen die hij wat later, met winst, dan weer verder verkoopt of ruilt. Van geschenken wordt de geschatte waarde genoteerd om ze vervolgens wat later weer als relatiegeschenk door te geven.

Over kunst gaat het eigenlijk nooit, behalve dan in uiterst rudimentaire termen. Sommige collega's zijn goede vakmensen, dat is het zo'n beetje. Dürer gaat, waar hij kan, schilderijen, kerken en verzamelingen bekijken. Het kan nooit kwaad te zien wat de concurrentie waard is. Maar dat levert alleszins geen beschouwingen op over kunst of over het kunstenaarsschap.

Misschien is zo'n reisdagboek daarvoor niet het geschikte medium, kan je tegenwerpen. Maar Dürer wijdt bijvoorbeeld wel bladzijden aan de arrestatie van Luther en aan theologische kwesties. Kunstenaars waren, besluit je dan, in die tijd met heel andere dingen bezig.

Maar sommige dingen zijn dan weer van alle tijden. In december 1520 rept Dürer zich naar Zeeland. Daar is, gaat het gerucht, een walvis aangespoeld. Een walvis! Dat wil je niet missen.

Reizen naar Zeeland blijkt een avontuur. Vooreerst drijft, bij het aanmeren, Dürers bootje af en geraakt het op drift. Pas nadat hij duizend doodsangsten heeft doorstaan komt het toch weer goed. Maar dan blijkt door het slechte weer de vis alweer weggespoeld. Pech.

De reis naar Zeeland laat, lees je een paar hoofdstukken later, wel sporen na. Dürer krijgt, terug in Antwerpen, hoge koorts. Maar hij komt er weer bovenop. Wat hij niet weet is dat hij in Zeeland een malariainfectie heeft opgelopen. Aan de gevolgen daarvan zal hij acht jaar later sterven.

Malaria in Zeeland. We komen van ver.

(Het prentje: niet in Zeeland, een neushoorn. Albrecht Dürer, houtsnede, 1515)

dinsdag 16 december 2008

Gestaag gaat de geschiedenis


Kijk eens goed naar bovenstaand prentje. Het is de grafische weergave van de uitslag van de Poolse parlementsverkiezingen van 2007. Het gekleurde deel is het hedendaagse Polen. De zwarte lijn geeft de contouren weer van hoe vroeger de grenzen liepen tussen keizerlijk Duitsland en tsaristisch Rusland.

Bovenstaand prentje geeft mooi de kracht van geschiedenis weer. De Polen die vandaag in dat deel van het land wonen dat destijds onder Duits bestuur viel, stemden in overgrote mate voor het christendemocratische Burgerplatform (oranje). Wie woont waar ze destijds onder Russisch bestuur vielen, stemde voor de nationalistisch-conservatieve Recht en Rechtvaardigheidpartij (blauw). Alsof de Polen nog steeds in twee verschillende landen leven.

Henry Ford vond geschiedenis bunk, dat wil zeggen: flauwekul. Maar, zoals wel vaker, heeft de geschiedenis het laatste woord. Ford houdt binnenkort wellicht op met bestaan. Maar de geschiedenis gaat gestaag verder.

maandag 15 december 2008

Chinese karakters


We kregen post uit Australië! Een trouwe lezer, die weet dat we wel eens over misvertaaltoestanden berichten (bijvoorbeeld hier en hier), liet zijn oog, in de botanische tuin van Melbourne, op dit bord vallen (zie prentje hierboven).

Toch maar opletten met die Chinese karakters. Wie weet wat er echt staat? Onze Chinese vrienden zijn ook wel eens in voor een grapje, lees je in The Independent. Regelmatig verlaten dronken Westerse toeristen Chinese tattooshops met op zichtbare lichaamsdelen Chinese karakters die dingen zeggen als "Dit is een lelijke buitenlander" of, als het om dames gaat, "vrouw van lichte zeden". Ja, je lacht wat af met die Chinezen.

Wie zich ook liet vangen, lees je in dat artikel, is het eerbiedwaardige Max Planck-Instituut. Het leek deze nijver vorsende wetenschappers wel wat om de cover van hun tijdschrift op te vrolijken met een klassiek Chinees gedicht. Eén probleem, de tekst die ze kozen bleek, na vertaling, eigenlijk enigszins aangebrand te zijn en vooral over de veronderstelde seksuele specialismen van heetgebakerde huisvrouwen te handelen. Maar toen stond de tekst al op de cover van hun tijdschrift (zie prentje hieronder). Pech.


Ja, je lacht wat af met die Chinezen.

zondag 14 december 2008

Exclusief gesprek met Bach


Johann Sebastian Bach liet dit jaar de concurrentie geen schijn van kans. Hij bezet zomaar eventjes de eerste drie plaatsen van Klara's Top 75. Op 3 staat, uit de Mattheuspassie BWV 244, Erbarme dich, op 2 Suite voor cello solo BWV 1007 - prelude, en op 1, de absolute kraker, uit de Mattheuspassie BWV 244, Wir setzen uns mit Tränen nieder. Wij konden Bach strikken voor een exclusief gesprek.

En, Johann Sebastian, blij verrast met dit resultaat?
Blij, uiteraard. Verrast, als ik eerlijk moet zijn, niet. Ik heb het afgelopen jaar geweldig hard getraind, goed op mijn voeding gelet, altijd op tijd naar bed en me goed gefocust. Ik was er helemaal klaar voor en ben er dan ook voor gegaan.
Maar had je geen schrik van de concurrentie? Mozart en Pergolesi staken dit jaar toch ook in een bloedvorm?
Pergolesi is toch meer de man voor de korte afstandjes. Dat Stabat Mater, goed hoor, maar toch te weinig body om mensen een heel jaar te bekoren. En Mozart? Tja, iedereen ziet Wolfgang graag. Maar Wolfgang neemt het soms wel een beetje van de gemakkelijke kant. Dat Lacrimosa uit het Requiem, bijvoorbeeld: toch wel iets van een meezinger, vind ik. En dan denken mensen: leuk, maar niet zo bijzonder. Ik probeer toch altijd de dingen iets doorwrochter te maken. Dan denken de mensen: toch nog maar eens luisteren. En als je ze zover krijgt, blijven ze terugkomen.
Wat vind je overigens van je hedendaagse uitvoerders?
Het technisch niveau is vandaag bijzonder hoog. Jullie muzikanten zijn, technisch gesproken, heel knap. Maar, hoe zal ik het zeggen, het is allemaal nogal droog. Een beetje bloedeloos. Allemaal zo ernstig, ook. In mijn tijd werd er meer gelachen. Dat fabeltje dat wij allemaal zo gelovig en godvruchtig waren, tja. Voor de vorm natuurlijk wel. Als je broodheer pilarenbijter is, kan je moeilijk anders. Maar na de uren, op café, gaven we van jetje. En gelijk hadden we. Voor je het weet is het gedaan. En dan heb je spijt dat je niet meer van de dingen hebt genoten.
Kan je misschien iets zeggen over hoe je zelf je werk het liefst uitgevoerd hoort?
Eerst even dit: dat authentieke gedoe is totale flauwekul. Ik probeerde in mijn tijd optimaal de mogelijkheden uit van de instrumenten die we toen hadden. Als ik vandaag zou leven, componeerde ik voor de beste instrumenten van vandaag. Dat gerommel met die gerestaureerde klavecimbels die driehonderd jaar op een zolder hebben staan rotten: bespaar me daar van! Nee, wat ik nog het liefste hoor is mijn werk uitgevoerd op accordeon.
Pardon? Op accordeon? Hoe bedoel je...
Op accordeon, zeg ik! Het armemensenorgel, de piano met bretellen er aan: dé accordeon, dé koningin der toetseninstrumenten. Ik wil jullie best wel drie tips geven. Luister een keer naar deze Baskische man (filmpje), of naar deze Mexicaan (filmpje). Of nog: deze Rus (filmpje). Zo had ik het in gedachten destijds. Machtig mooi instrument, zo'n accordeon.
Euh...
Zal ik jullie nog eens iets vertellen?
Doe gerust, Johann Sebastian.
Ik heb mijn hele leven lang psalmen geschreven over het hiernamaals en eeuwige rust en de engelen en dat soort dingen. En nu ik er de hele dag tussenzit gaat het me toch wel wat vervelen.
Hoe bedoel je?
De eerste honderd jaar is het hiernamaals best prettig. Er komen voortdurend mensen bij die je hebt gekend en mensen die je kunnen vertellen hoe dingen zijn afgelopen die je zelf nog hebt meegemaakt. Dat is allemaal leuk. Maar daarna komen er steeds meer mensen bij die je van haar nog pluim kent en die het hebben over dingen waar je je niets kan bij voorstellen. Die negentiende eeuwers bijvoorbeeld, wat een stelletje saaie pieten is dat. Of al dat nageslacht. Willen allemaal hun beroemde voorvader wel eens zien. Daar ben je dagen mee kwijt. Maar goed, het blijft je nageslacht, natuurlijk. Kan ik ze even de groeten doen? Mijn eerste vrouw Maria Barbara, mijn tweede vrouw Anna Magdalena. Mijn zonen Wilhelm Friedemann, Carl Philipp Emmanuel, Gotfried Heinrich, Johann Christoph, Johann Christian. Mijn dochters Elisabeth Juliane Friederica, Johanna Carolina, Regina Susanna. Mijn kleinkinderen Anna Philippa Friederica, Wilhelm Friedrich Ernst, Christina Luisa en Johann Sebastian. Mijn achterkleinkinderen ...
Hartelijk dank voor dit interview, Johan Sebastian, maar onze tijd zit er op. Over naar de studio.


(Het prentje: het hiernamaals. Bach speelt een potje schaak met een klein deel van zijn nageslacht.)

zaterdag 13 december 2008

Arme Rietveld


De Nederlandse modernistische architect Gerrit Rietveld -inderdaad: die van de stoelen- ontwierp ook een sociaal woningbouwproject: de Robijnhof in Utrecht. In Trouw hebben ze er een stukje over.

Rietveld had, zo zijn architecten, natuurlijk het beste voor met de verwachte bewoners. Die zouden tot mensen met smaak worden heropgevoed. Daarom mochten ze bijvoorbeeld geen was te drogen hangen op het balkon. Dat zou maar tot "tegenspraak in visuele effecten" leiden. En omdat, zo zijn mensen, de bewoners dat natuurlijk zouden doorbreken door allemaal verschillende gordijnen op te hangen, kwamen er gekleurde panelen achter draadglas in de onderste kozijnrand en speciaal bobbeltjesglas in de bovenlichten. En een drooghok om het wasgoed aan het oog te onttrekken.

Mooi hoe het interview met twee bewoners van het eerste uur, het echtpaar Soesbergen, de geschiedenis van de na-oorlogse sociale woningbouw illustreert. Toen de Soesbergens in de Robijnhof introkken ervaarden ze dat als een flinke stap vooruit: „Wat voor ons telde, was dat de woning zo ruim was”, vertelt Elisabeth Soesbergen. „Met een douche”, vult haar man Paul aan. Tot die tijd moesten ze zich behelpen met een teiltje in de keuken en sliepen hun drie kinderen op één klein kamertje.

Maar in de loop der jaren ging de buurt er op achteruit. Er kwamen andere mensen wonen, buitenlanders. De was hing te drogen op het balkon, overal verschenen de schotelantennes. In de jaren tachtig werden de flats een eerste keer gerenoveerd. Maar ja, wie geeft er om sociale woningbouw? Dus werden de door Rietveld aangebrachte gevelkleuren en raamprofielen gesloopt. Wat moet je ook met die ouwe rommel?

Vandaag is er geld om wijken als die van de Robijnhof klaar te maken voor een gedroomde nieuwe bevolkingsgroep. Meerverdieners, die de buurt uit het slop moeten helpen trekken. Die meerverdieners vinden wonen in een Echt Rietveldappartement wel wat. En dus wordt de Robijnhof gerenoveerd en terug in de oorspronkelijke staat gebracht. De flats worden verbouwd tot studios, voor hoogopgeleide alleenstaanden of jonge gezinnen. Wat voor de Soesbergens nog luxe leek, heet nu een beetje krap. En in het vernieuwde gebouw wordt ook één flat in de oorspronkelijke staat hersteld, als museumwoning. Het oude keukenblok van de Soesbergens staat daar nu te pronken.

Het mooiste is evenwel de reactie van een lezer -ervaringsdeskundige- op het bericht. Blijkbaar is er al een eerdere poging geweest om zo'n Rietveld-museumwoning in te richten, laat ene Kluit, uit Utrecht, weten, maar dat liep slecht af:

Wat spijtig dat circa drie jaar geleden de bewoners van de vorige modelwoning op de achtste verdieping bij een echtelijke ruzie al die oude stoelen over de reling hebben gegooid. Ik hoor die vrouw Gesie nog zeggen, nadat de ruzie met man Arie Kraai (een stramme zeventiger die vroeger voor het gas liep met kwitanties) was bijgelegd: "geeft niet, Arie, die rommel is zo verrekte oud, we halen gewoon een paar nieuwe rieten stoelen bij de kringloop. Ik hoop alleen dat die wormen zich niet bezeerd hebben toen de stoelen te pletter vielen op de stenen." Daarmee werd een museumwaarde van ongeveer 180.000 euro in een klap vernietigd.

Arme Rietveld.

(Het prentje: het Robijnhof in 1961. Zoals Rietveld het vermoedelijk nog het liefst zag. Ordelijk, netjes, geen tegenspraak in visuele effecten. Beetje doods, toch.)

vrijdag 12 december 2008

Dát is leven


Als je Moussa Dembélé zo bezig ziet, lekker rennen over het strand van Sint-Anneke, dan moet je concluderen: die jongen heeft het geweldig naar zijn zin. Dembélé, één van onze meest beloftevolle jonge spelers, in loondienst bij het Nederlandse AZ, is al een tijdje gekwetst en revalideert nu thuis, in Antwerpen.

Hoe gaat dat? Weken met je been in het gips, ziekenhuis in, ziekenhuis uit. Afwachten wat de kinesist zegt, de sportdokter, de ploegarts. Iedereen heeft een mening en een advies. En dan het verlossende: je mag alweer wat oefenen, voorlopig nog zonder bal, beetje loslopen en wat spurtjes trekken. En dan zo'n prachtige decemberdag. Steenkoud, maar zon in de lucht. Lekker de stad uit, eindje lopen langs de Scheldedijk. Even het mulle zand in: alles geven wat je kwijt kunt. Dát is leven.

Vanavond met een bezoekende collega uit de VS voetbalkijken. Naar KV Mechelen- Germinal Beerschot. Hij heeft alvast gekozen om voor Malinwa te supporteren, zodat ons de vermoedelijk iets minder dankbare taak te beurt valt de jongens van het Kiel aan te moedigen.

Mannen: echt volwassen worden ze nooit. Maar goed ook, wellicht.

(Het prentje: foto PhotoNews.)

donderdag 11 december 2008

Asperges: nul punten


Als je zelf in het gips zit, zie je overal mensen op krukken voorstrompelen. Als je liefdesverdriet hebt, gaat op de radio elk liedje over een gebroken hart. En als je zelf op dieet bent, lees je met bijzondere aandacht berichten over het wel en wee van mensen die worstelen met hun gewicht.

De Nederlandse politica en oud-zwemkampioene Erica Terpstra is wel veertig kilogram afgevallen. Hanneke Groenteman, die lang een zondagse talkshow presenteerde op de VPRO, is ook zoveel kwijt. Maar bij Oprah Winfrey, de koningin van de Amerikaanse huisvrouwentelevisie, tikken de kilootjes weer aan. Ze weegt alweer meer dan 90 kilogram en heeft opnieuw een body-mass index van boven de dertig. Niet zo best dus.

Eigenlijk is, constateren we, vermageren nochtans niet zo moeilijk. In ons geval zijn we de mensen van de Weight Watchers dankbaar. Hun dieetwijze is eenvoudig en menselijk. Je hoeft ook niet naar allerlei bijeenkomsten te gaan of slankmakende producten te kopen. Je bestelt één keer een informatiepakket en je kunt zelf aan de slag. Het belangrijkste zijn de handige puntenwijzer -een gidsje met daarin zowat alle producten die je in de supermarkt vindt- en een convergentietabel. Die tabel kan je gebruiken om het puntentotaal te berekenen van producten die alsnog aan de aandacht van de samenstellers van de puntenwijzer ontsnapten.

Dat puntentellen is overigens het hele werk. Je berekent hoeveel je per dag mag hebben en je noteert bij elke maaltijd, aan de hand van je puntenwijzer, de schade. Je eet wat je wilt, maar je aanvaardt de consequenties. Pannenkoeken kunnen, maar twee exemplaren zijn al gauw vijf punten. Dan denk je na.

Vijftien kilo er af, zonder veel opoffering. Als wij het kunnen, kan iedereen het. Maar: wat lezen we in de krant? Crisis doet Belg meer friet eten (De Standaard, 10.11.08)

Ondanks de financiële crisis is het extra druk in de betere Belgische frituren. 'De mensen stellen grote uitgaven uit en hebben nu meer geld over voor een extra pakje gezelligheid', zegt Bernard Lefèvre van de Nationale Federatie van Frituristen in de Concentra-kranten. 'Frieten blijven ook ondanks alles betaalbaar. Vooral de betere frituren doen het goed. De Belg zoekt zekerheid als hij iets koopt en die vindt hij in een goede frituur waar hij weet dat zijn pak frieten lekker is', zegt Lefèvre. Ook horeca-leverancier Van Zon bevestigt de trend. 'Mogelijk scoren de frituren ten koste van de bistro’s en de brasserieën', stelt commercieel directeur Jan Langens van Van Zon.

Frieten: één portie, 6 punten.

(Het prentje: Adriaen Coorte, Stilleven met asperges, 1697, Rijksmuseum Amsterdam. Asperges: nul punten)

woensdag 10 december 2008

De normale verdeling


Dit prentje, dat er vanop afstand uitziet als een ouderwets torengebouw, is de grafische uitbeelding van, per jaar, de opbrengsten op de beurs in vergelijking met het vorige jaar. Helemaal rechts de absolute topjaren, uiterst links de bijzonder slechte jaren. Yep, 2008 (helemaal aan het linkeruiteinde) is behoorlijk uitzonderlijk: de beurzen hebben gebloed en niet zo'n klein beetje: min vijftig procent tegenover het vorige jaar.

Wat ons evenwel nog meer interesseert is dat ook deze grafische uitbeelding weer een zo goed als perfecte Gausscurve vormt. Welk verschijnsel je ook bedenkt -de verdeling over een bevolkingsgroep van het IQ, van de lichaamslengte, de borstomvang, de loopsnelheid, de politieke voorkeuren- steeds weer krijg je, als je de waarnemingen telt en grafisch uitbeeldt, de zogeheten normale verdeling. Je vindt niet zoveel waarnemingen aan de uiteinden, het gros zit in het midden. Zo krijg je de gekende klokvormige frequentieverdeling.

Is dat niet vreemd? Zou je op zo'n moment niet aan het bestaan van Hogere Krachten, van een Goddelijk Plan, een Hemelse Bedoeling beginnen denken? Je begrijpt op dat moment iets beter dat onze landgenoot, de grondlegger van de wetenschap van de statistiek, Adolphe Quételet enigszins tilt sloeg toen hij, netjes de maten van Franse dienstplichtigen en Schotse soldaten turvend, steeds weer diezelfde Gausscurve tegenkwam. Dus moest er, besloot Quételet, iets zijn als de Normale Mens. De mens die niet zomaar het statistische gemiddelde vormde, maar daadwerkelijk ook de Norm.

Quételet, ook de bedenker van de body-mass index, eindigde in 2005 op de zesentachtigste plaats bij de verkiezing van de Grootste Belg. Quételet moest ondermeer Tom Lanoye (84), Jean Marie Pfaff (53), Arno (34), Kim Clijsters (14) en Jan Decleir (13) laten voorgaan. Wat meteen ook weer duidelijk maakt dat het gemiddelde en de norm twee verschillende dingen zijn.

Merk ook: dat 2008 zo dramatisch slecht is, komt ook omdat 2007 vrij goed was. Vergeleken met dat jaar gaan we geweldig achteruit. Vergeleken met andere jaren is de daling, per definitie, minder scherp. Proberen te onthouden, te midden van alle onheilstijdingen dezer dagen.

Je probeert je aan alles op te trekken.

dinsdag 9 december 2008

Het schietkraam


Ria van Dijk uit Tilburg gaat elk jaar naar de kermis. Dat doet ze inmiddels al zo'n 50 jaar. En elk jaar gaat ze naar het schietkraam om een foto van zichzelf te schieten. Nu heeft Ria al die kiekjes bij elkaar gezocht en daar hebben ze een boek van gemaakt.

Vijftig jaar precies dezelfde foto: één oog dicht, aanleggen, mikken, raak, flits, foto. Als je één ding constant houdt -in dit geval: de schietscène- merk je pas hoe de andere dingen veranderen. Ria, natuurlijk. We zien ze van een stevige en kordate jonge dame een struise vrouw worden. We zien kapsels en kledij veranderen. We zijn erbij als de kleurenfoto zijn intrede doet. We merken hoe de kermis een beetje smoezeliger wordt. Hoe er ook minder volk aan het schietkraam stil blijft staan. Zo'n foto schieten was vroeger wel wat. Nu zijn we meer gewoon.

Een mooi boek, denken we. Goed van Ria.

(Op de site van de Volkskrant lees je een stukje over Ria's boek en kan je ook wat prentjes kijken.)

maandag 8 december 2008

Niet om mee te lachen


Het leven hangt aan elkaar van raadsels en vraagstukken. Neem nu bijvoorbeeld de zich als een strovuur op radio en TV verspreidende trend om de naam van de Luikse voetbalclub, die vorig jaar voor het eerst in lange tijd landskampioen werd en die het dit jaar Europees buiten verwachting goed doet, als Stondard uit te spreken. Waarom?

Dat kan toch zo moeilijk niet zijn? Zorgvuldig lezen voor je spreekt kan geen kwaad. Er staat Standard. Twee keer een a. Als er geen specifieke reden toe bestaat spreken we een a als a uit en niet als u of i. Om die reden zeggen we niet Stundard of Stindard. En dus ook niet, vermits er nergens een o staat, Stondard.

Man toch, alles moeten we uitleggen tegenwoordig.

Overigens, wat ook helpt is af en toe naar de RTBF kijken en goed luisteren naar hoe ze daar de namen van Waalse voetbalclubs uitspreken. Bijvoorbeeld op maandagavond op La Deux, in het, volgens ons, beste voetbalprogramma op TV, Studio 1, met Michel Lecomte, Benjamin Deceuninck en, als het mee zit, de man met de geweldige naam Rodrigo Beentjes. Ouderwets doorwrochte wedstrijdanalyses, geen pseudogepsychologiseer, geen interviews waarbij het lijkt alsof de joernalist het liefst iets moois zou beginnen met de voetballer in kwestie.

Dat soort halfuitgesproken homo-erotiek wordt natuurlijk aangewakkerd door voetballers die het veld betreden met een haarband of diadeem om, met geëpileerde wenkbrauwen en met, het allerergste, gekleurde voetbalschoenen. Sulejmani van Ajax maakte het dit weekend wel erg bont, vernamen we in de krant.

Het enige flitsende aan Sulejmani waren zijn schoenen, roze van kleur. Je vraagt je af wat Nike bezielt om een roze voetbalschoen op de markt te brengen. De enige reden kan zijn dat het allemaal steeds gekker moet in het voetbal. Het is dat het met naaldhakken moeilijk voetbalt, anders zou Nike ongetwijfeld de voetbalstiletto introduceren (Volkskrant, 8.12.08).

En hoe doen onze jongens het? Ronduit schitterend! Nu al op de tweede plaats in de rangschikking, na een 1-4 overwinning op het laatstgeklasseerde Reet.

En gelieve flauwe homo-erotische mopjes over dit laatste wapenfeit achterwege te laten. Voetbal is niet om mee te lachen.

(Het prentje: het oer-Standard. De ploeg die eind jaren zestig door iedereen terecht werd gevreesd. Rechtstaand: Julien Onclin, Nico Dewalque, Léon Jeck, Louis Pilot, Jacky Beurlet, Jean Nicolay. Zittend: Léon Semmeling, Velco Naumovic, Roger Claessen, Milan Galic, Casimir Jurkiewicz. Hier op 5 november 1967, vlak voor de wedstrijd tegen Anderlecht, die een scoreloos gelijkspel opleverde. Zoals de enigszins aangedampte lens van de fotograaf getuigt: toen regende of sneeuwde het altijd op Sclessin.)

zondag 7 december 2008

Slimmer dan, pakweg, de snoek


Je vraagt je wel eens af waarom niet meer jongelui kiezen voor een wetenschappelijke loopbaan. Als je de kranten mag geloven is het meestal dolle pret in de laboratoria. Kranten hebben het, als ze wetenschappelijke onderwerpen behandelen, altijd over zeer merkwaardige dingen: Groningers meten broeikasgassen in wijn, DNA-douche brandmerkt winkelovervaller, Eet mieren, kevers en termieten voor uw bloeddruk.

Was dat vroeger anders en beter? Vermoedelijk niet. In de VS houdt een brave ziel zich onledig met het online zetten van oude jaargangen van het populair-wetenschappelijke tijdschrift Popular Mechanics. En in de editie van november 1931 lezen we bijvoorbeeld over de Russische geleerde Dr. Menzbier die weet waarom mensen slimmer zijn dan vissen: omdat ze hun hoofd zijwaarts kunnen bewegen. Op het prentje en hieronder de uitleg.

Why Men Are Superior to Fish
The reason why men have better brains than fish and why land animals have evolved so much more rapidly than sea animals is to be found, says the Russian biologist, Dr. M. A. Menzbier, in the ability of men and other land animals to turn their heads from one side to the other.

Most fish never turn their heads sidewise but must turn the whole body if they wish to see something not already visible to one of their eyes. The development by the first air-breathing lung-fish hundreds of millions of years ago of the method of breathing air through the mouth into lungs released these creatures from this rigid, stiff-necked condition and made it possible for their descendants, including mankind, to have flexible necks, mobile heads and both eyes pointing to the front. All of these changes aided greatly to exercise the brain and improve it.


Omdat we ons hoofd zijwaarts kunnen bewegen, slimmer dan, pakweg, snoek of kabeljauw. Het zit hem, zoveel is duidelijk, in de kleine dingen.

zaterdag 6 december 2008

Altijd prijs, niets gewonnen


Wat maakt wetenschap tot wetenschap? Wetenschappers streven naar testbare hypothesen. Als ze bijvoorbeeld een verband tussen twee verschijnselen vermoeden, dan formuleren ze een hypothese: als X, dan Y. En dan doen ze de test. Ze bekijken X onder allerhande omstandigheden en turven hoeveel keer ook Y optreedt. Als Y systematisch achterwege blijft, dan heeft de hypothese de toets niet doorstaan. Ander en beter.

Op de televisie gingen ze de afgelopen weken op zoek naar de meest paranormaal begaafde Vlaming. Blijkbaar is de winnares nu gekend. Leuk voor haar. In de krant ondervroegen ze een scepticus en een believer (De Standaard, 5.12.08). Het interview met die laatste, ene Christian Vandekerkhove, volgens de krant docent, parapsycholoog en therapeut, is bijzonder interessant omdat het op sprekende wijze het verschil tussen wetenschap en niet-wetenschap illustreert. Twee citaten, gevolgd door commentaar.

Is het niet vreemd dat de deelnemers bij sommige opdrachten de bal compleet missloegen, vraagt de interviewer. 'Helemaal niet', zegt Vandekerkhove die ook nog eens een instituut runt waar mensen zich kunnen laten testen op hun paranormale gaven. 'Ik heb al ontelbare tests uitgevoerd en wat je daaruit leert, is dat je niet op elk moment van de dag op je gave een beroep kunt doen. Met andere woorden: je kunt bewijzen dat iemand paranormaal begaafd is, maar je kunt niet bewijzen dat hij het niet is.'

Als je een hypothese zo formuleert dat ze niet te weerleggen valt, heb je altijd gelijk. Bijvoorbeeld: "het kan regenen of niet-regenen". Sterke hypothese: onweerlegbaar. Maar je leert niets bij. Idem met betrekking tot Vandekerkhove's paranormale testmethode: ofwel is iemand paranormaal, ofwel telt de test niet. Altijd prijs, niets gewonnen.

Skepp, de organisatie die zich kritisch buigt over alles wat ze 'pseudo-wetenschap en het paranormale' noemt, belooft de winnares van Het Zesde Zintuig, zo heet het programma in kwestie, een fikse geldsom als ze haar krachten laat testen in wetenschappelijke omstandigheden. 'Ik hoop bij God dat ze daar niet op ingaat', zegt Vandekerkhove. 'Skepp is gewoon niet objectief. Ze voeren geen wetenschappelijk onderzoek, ze willen bewijzen dat sommige fenomenen niet bestaan. Een test onder hun auspiciën zou faliekant aflopen, want er bestaat zoiets als catapsie: mensen kunnen je ongewild op een paranormale manier beletten je paranormale gaven te gebruiken. Noem het negatieve energievelden.'

Catapsie! Dat is een mooie. Als mijn hypothese wordt weerlegd, dan komt dat niet omdat de door mij veronderstelde samenhang niet bestaat. Het komt omdat er negatieve energievelden interfereren. Of doordat iemand ongewild op paranormale wijze belet dat de hypothese de toets doorstaat. Goed gevonden.

Overigens: als de winnares van de televisiewedstrijd écht paranormaal begaafd was, dan zijn er vier mogelijkheden. Eén, ze wist op voorhand de uitslag en dus komt het voor haar allemaal niet als een verrassing: beetje saai, dus. Twee, ze kwam via paranormale weg te weten wat werd getest en wat de goede antwoorden waren: spieken, heet dat. Drie, ze beïnvloeddde de testers op paranormale wijze en deed ze vragen stellen waarop zij het antwoord sowieso al wist: ook geen kunst. Vier, ze antwoordde wat ze wilde en deed ons, via paranormale weg, geloven dat ze toch de correcte antwoorden gaf: bedrog.

Eigenlijk, als je er over nadenkt, best wel flauw zo'n programma met paranormaal begaafden. Dan toch liever normale bedriegers.

vrijdag 5 december 2008

Toen mannen nog man waren


Vroeger konden vaders alles. Als de kraan lekte, staken ze een nieuw rubbertje. Electriciteit leggen? Een kleintje. Even een muurtje metselen? Waar wil je hem hebben? Timmeren, boren, loodgieterij, een vals plafond steken: vaders konden alles of gaven althans vastberaden die indruk.

Hedendaagse mannen zijn, in regel, niet zo handig in huis. Ze komen in twee soorten. Enerzijds heb je de beterweters. Je komt ze tegen in Gamma of Brico en herkent ze aan het dure gereedschap waarmee ze hun winkelkarretjes vullen. Dat gereedschap wordt hooguit één keer gebruikt en verhuist dan naar schuurtje of rommelhok. Hun huizen herken je aan de niet sluitende deuren, de loshangende electriciteitsdraden en de lekkende lavabo's. Maar zelf vinden die mannen dat ze dat geweldig goed hebben gedaan. En ze kunnen je tot twee cijfers na de komma voorrekenen hoeveel ze hebben bespaard door geen beroep te doen op de vakman.

Anderzijds heb je de mannen die, als er in huis iets moet gebeuren, inderdaad beroep doen op de specialist. Maar dat gaat nooit helemaal van harte. Hulp inroepen van de specialist is ook een beetje toegeven dat je gefaald hebt als man. Daarom hangt dat soort mannen, als de specialist in huis is, vaak zo'n beetje als een groupie rond de werkman. Proberen de schijn hoog te houden: ineens doen of we bovenmatig geïnteresseerd zijn in de klus in kwestie, vragen of we een biertje moeten halen, dragen we voor de vorm mee zakken met puin naar buiten. Kijk, papa, wij zijn ook een beetje man. Want daar gaat het vermoedelijk om: onze vaders konden dat allemaal zelf. Wij niet. Losers.

Zelf tot de tweede mannensoort behorend, dromen we 's nachts zelfs over dat soort onderwerpen. Vannacht hadden we een vakman over de vloer die iets onduidelijks deed in de woonkamer. Op een bepaald moment deed de man iets als gevolg waarvan een stuk bepleistering van het plafond naar beneden kwam. Geen punt, zegde de man, dat regelen we wel, waarna hij keek of er nog stukken bepleistering los hingen. Waarna in de kortste keren ongeveer het hele plafond werd gesloopt.

(Overigens: zo'n doorkijkplafond had wel wat. Je kon, van onderuit, ook binnenkijken in de gasradiator die boven staat. Zie je niet zo vaak vanuit dat perspectief.)

In onze dromen blijven we altijd bijzonder beheerst. Dus vroegen we de man hoe en wanneer hij dat plafond wou herstellen. Maar toen begon de vakman te jammeren en, letterlijk, te wenen. We bekeken hem nog eens de goed en constateerden toen wat ons blijkbaar de hele tijd was ontgaan: de vakman bleek, letterlijk, een dwerg te zijn. Die bovendien als ultiem argument ter zijner verontschuldiging inriep: "en ik ben al zoveel vermagerd". Loser.

Bij het ontwaken hadden we een moment spijt dat we niets van psycho-analyse afwisten, dan hadden we die droom kunnen duiden. Maar eigenlijk is dat, besloten we, dan weer een geluk bij een ongeluk: psycho-analyse vormde ook voor onze vaders een gesloten boek. Bleken we toch een beetje een Echte Man.

(Het prentje: De ultieme gereedschapskist. Een bijzonder fraai exemplaar van rond de vorige eeuwwisseling. Driehonderd verschillende tangen, hamers, beitels en boren. Toen waren mannen nog man.)

donderdag 4 december 2008

Het is druk in Koeznetsk


En hoe gaat het nog met de Russen? Tja, wat moet je bijvoorbeeld van onderstaand bericht denken?

Russische priesters gaan verkeersovertredingen tegen
Orthodoxe priesters helpen de Russische politie het aantal verkeersongelukken naar beneden te brengen. De priesters zullen onder meer spreken met overtreders van de wet en gevaarlijke kruispunten besprenkelen met wijwater. Dat schrijven lokale media woensdag.

In de stad Koeznetsk, zevenhonderd kilometer ten zuidoosten van Moskou, maakt een priester vast onderdeel uit van een team van de verkeerspolitie. Hij geeft overtreders spiritueel advies in plaats van een boete. Volgens het hoofd van het politieteam is het aantal ongelukken sinds het aantreden van de priester met een derde omlaag gegaan. ,,Het effect heeft al onze verwachtingen overtroffen'', aldus Sergej Logov.
(Trouw, 4.12.08).

Minstens twee dingen stemmen tot nadenken. Eén, dat de priester gewoon deel uitmaakt van het politieteam. Twee, dat het aantal ongelukken, na de kruispuntwijding, effectief daalt.

It boggles the mind enigszins.

(Het prentje: toen het nog best meeviel met het Russische verkeer. Vladimir Egorovich Makovsky (1846-1920), De voddenmarkt in Moskou.)

woensdag 3 december 2008

De scheidingsmeter


Soms geven we gewoon ook heel erg nuttig advies. Vandaag: de scheidingsmeter. Amerikanen zijn een praktisch ingesteld volkje. Iedereen gelooft weliswaar in de eeuwigdurende liefde, maar net zo goed willen ze ook gewoon weten waar ze staan. Daarom bedacht iemand een uitermate simpele, maar ook zeer verhelderende test. Vijf simpele vragen beantwoorden en er wordt voor jou berekend hoeveel kans je tot hiertoe hebt gelopen om te scheiden en wat je vooruitzichten zijn voor de komende jaren.

Een gewaarschuwd mens is er meerdere waard.

En nooit de hoop opgeven. Zo leert de krant vandaag ondermeer dat zelfs Boma, van FC De Kampioenen, sinds kort een vast lief heeft:

Wat niemand voor mogelijk hield, zal op het einde van de reeks gebeuren: rokkenjager Boma vindt een lief. Geen poppemieke van de Pussycat, maar een stijlvolle, 45-jarige dame die Goedele Decocq heet. Boma: “Ze is antropologe, maar ik zou niet weten wat dat wil zeggen.” Goedele was al eens getrouwd, maar ze werd bedrogen door haar man. Sindsdien is ze bang om zich te binden. Daarom zal ze er lang over twijfelen of ze wel iets met Boma wil beginnen. Ten slotte vindt ze zijn stuntelig haantjesgedrag zo ontwapenend dat ze ervan overtuigd geraakt dat hij het goed meent. Het is een geruststellende gedachte dat hij toch niks verborgen kan houden.

Mijn gedacht.

(Het prentje: Amerikanen, een praktisch ingesteld volk zijnde, denken aan alles. Als je huwt, haal je een huwelijkstaart in huis. En als er te scheiden valt? Inderdaad.)

dinsdag 2 december 2008

Hondengebarentaal


Zullen we onze soort eens in de bloemetjes zetten? Als je de krant leest krijg je niet zo meteen de indruk dat wij mensen, om het enigszins modieus te formuleren, goed bezig zijn. Oorlog, geweld, milieuvervuiling: het ene artikel stemt je nog somberder dan het andere.

Daarom: tegengas. Haal even een feestelijk drankje. Roep er een medemens bij. Geef elkaar een hand of een schouderklopje, want: wij zijn redelijk uitzonderlijk als soort. Met name dan in de mate waarin we ons bij momenten onbaatzuchtig inspannen om het leven van andere soorten aangenamer te maken.

Zo is er Zoë, de Dalmatiër (zie prentje). Die zit in het asiel en is doof. Omdat de mensen van het asiel vrezen dat een dove hond niet van de straat geraakt, hebben ze Zoë gebarentaal leren begrijpen. Zoë reageert inmiddels, leert het bericht, op zeven verschillende handgebaren, die dingen als zit, daar blijven, liggen, moeten uitbeelden. Goed van Zoë, maar nog beter van ons als soort.

En er is ook nog Johnny, de Border Collie. Ook potdoof, ook in het asiel. Kent inmiddels, dankzij vriendelijke mensen, de betekenis van zes handgebaren (zie bericht). En Blue, een Merle Collie, heeft zelfs al nieuwe baasjes gevonden. Ongetwijfeld ook omdat hij, zijnde doof, getraind werd zeven handgebaren te begrijpen (bericht), waaronder een opgeheven duim die good boy betekent.

Dat hebben we toch maar mooi gedaan. Fijne soort zijn wij. Leuk dat we erbij horen. U ook trouwens.

maandag 1 december 2008

Compositie voor twee fietsen en orkest


Ach, het is maandagavond en de week belooft lang te duren. Nog tijd genoeg dus om ernstige en verantwoorde dingen naar later door te schuiven. Nu maar gewoon vrolijk bullshitten met Frank Zappa.

Een, eh, merkwaardig filmpje: de tweeëntwintige jarige Zappa op bezoek in het programma van komiek Steve Allen. Frank Zappa, met kort haar en in het pak -het is per slot van rekening 1963- speelt op de fiets. Een kwartier lang melige ongein, culminerend in een kleine compositie voor twee rijwielen en orkest. Het publiek vindt het allemaal dolletjes.

Nog eentje. Zappa tien jaar later, deze keer op de Zweedse TV: Montana (filmpje). Nog eens negen minuten. Zo vliegt de week voorbij. Al weer bijna weekend.

Yippy-Ty-O-Ty-Ay...

(Het prentje haalden we hier: rocksterren van de jaren zeventig, samen met hun ouders in de ouderlijke woonst afgebeeld. Hier meneer en mevrouw Zappa, met hun zoon Frank. Aardige jongen, wel een beetje speciaal.)

zondag 30 november 2008

Zelf held worden


Jonge mensen hebben vandaag wel andere dingen aan het hoofd. Maar wij vroegen ons destijds af hoe wij en de mensen die we kenden het er in de oorlog zouden vanaf hebben gebracht. Wie zou gecollaboreerd hebben? Bij wie zou je onderdak kunnen krijgen als je door de Duitsers werd gezocht? Wie zou in het verzet stappen? Wie zou doorslaan onder tortuur? De Tweede Wereldoorlog als morele lakmoesproef.

Hoe word je held? Of beter: is er een bepaalde karaktertrek of persoonlijkheidskenmerk die mensen voor het heldendom voorbestemt? Is het een kwestie van opvoeding, van idealen, van milieu?

De sociaal-psychologen Samuel en Pearl Oliner deden onderzoek naar wat ze altruïstische persoonlijkheden noemen. Ze interviewden mensen die tijdens de oorlog joden verborgen. Is er iets dat die mensen kenmerkt? Het antwoord stelt een beetje teleur: het zijn in regel nogal gewone mensen. Net zoals collaborateurs of oorlogsmisdadigers, overigens.

Vrijdag bespraken ze in de krant een biografie van Pim Boellaard, een Nederlandse verzetsheld (Volkskrant, 28.11.08). De recensent, Bart van der Boom, citeert een passage uit de dagboeken van Boellaard en geeft er interessant commentaar bij, die we zo meteen even parafraseren.

Even situeren: Pim Boellaard leidt een verzetsnetwerk. Hij wordt opgepakt en gemarteld en uiteindelijk ter dood veroordeeld. Maar Boellaards onverschrokken houding maakt indruk op de Duitsers. Wanneer Himmler Nederland bezoekt wil die ook wel eens zo'n verzetsleider in levende lijve zien. Himmler is al evenzeer onder de indruk van Boellaards beginselvastheid en laat de doodstraf omzetten in deportatie naar een concentratiekamp. In het citaat blikt Boelaard terug op zijn verblijf in de dodencel. Hij beschrijft hoe hij zijn eigen executie oefende:

"Vreemd gevoel ineens, om voor een vuurpeloton te moeten staan. Eigenlijk heel eenvoudig. Stilstaan en wachten. Kun je dat? Ik ga in de houding staan. Twee meter vanaf het kijkgat in de deur en kijk er naar. Denk je in dat het de loop van een geweer is, kun je je beheersen en 'Leve de koningin' roepen? Ik zeg hardop tegen mijzelf: 'Ja ik kan het'."

Drie dingen kenmerken Boellaard. Eén, een soort van standsbesef. Bepaalde dingen doe je gewoon niet: vrienden verraden, je beulen smeken en vleien, je onwaardig gedragen. Je gaat sterven, maar dat kan je net zo goed doen zonder jezelf te moeten verlagen. Twee, distantie. Boellaard is, zelfs in de dodencel, in staat afstand te nemen, naar zichzelf te kijken als naar een ander, en zijn kalmte te bewaren. Drie, zelfvertrouwen. Gebaseerd op ervaring: je mogelijkheden goed leren inschatten, weten wat je kunt en niet kunt.

Standsbesef, distantie, zelfvertrouwen. Het recept om zelf held te worden. Niet alleen nuttig voor als de Duitsers alsnog beslissen nog eens langs te komen. Maar vooral ook voor het leven van elke dag. Deugden die, denken we, niet van god of de natuur zijn gegeven, die je ook niet meekrijgt van ouders of milieu, maar die je zelf, net als Doellaard overigens deed, elke dag kunt oefenen.

Een hoopvolle gedachte.

(Het prentje: Jolande Withuis, Weest manlijk, zijt sterk. Pim Doellaard (1903-2001), het leven van een verzetsheld. De Bezige Bij, 2008)

zaterdag 29 november 2008

Thanksgiving Day


Eerder deze week vierden de Amerikanen Thanksgiving Day. Dan wordt er kalkoen gegeten en pompoentaart en maïskolven en wat al niet. En de volgende dag, op Black Friday, wil de traditie, wordt er als gek gewinkeld. Dan zijn er in de grootwarenhuizen speciale aanbiedingen, als gevolg waarvan reeds voor dag en dauw voor de winkeldeuren lange rijen kooplustigen klaar staan om de slag van hun leven te slaan.

Maar deze keer liep het mis. In New York vertrappelde een iets te enthousiaste massa koopjesjagers een winkelbediende van Wal-Mart, die het ongeluk had de deuren te moeten openen voor de enigszins losgeslagen consumentenmeute. Hier lees je er alles over.

En omdat ze deze morgen op de radio een beetje flauw deden, doen wij zo meteen op onze beurt ook flauw. Op de radio werd dit incident aangegrepen om nogal wat onfraaie dingen te zeggen over het kapitalisme en de markteconomie. Die appelleerden, vernamen we, aan onze slechtste instincten. Koekak, vinden wij.

Omdat nooit eens iemand de markt in bescherming neemt doen we het dan maar zelf. Thanksgiving, beste vrienden, herdenkt eigenlijk het feit dat alternatieven voor de markt niet werken. Dat leggen we even uit.

Wat gedenken de kalkoenetende Amerikanen precies? Dat de eerste kolonisten, na een vreselijke periode, voor het eerst een goede oogst hadden, waarvoor ze de Heer dankten. Vandaag komt daar nog het politiek-correcte verhaaltje bij dat ze die goede oogst eigenlijk dankten aan de Indianen die hen leerden maïs te verbouwen. De realiteit is, leert economisch onderzoek, helemaal anders.

De kolonisten in kwestie experimenteerden de eerste jaren met een vorm van communisme. Dat liep faliekant af. Pas nadat ze de gronden in privé-bezit verdeelden was er overschot en viel er iets te vieren.

In 1620 Plymouth Plantation was founded with a system of communal property rights. Food and supplies were held in common and then distributed based on equality and need as determined by Plantation officials. People received the same rations whether or not they contributed to producing the food, and residents were forbidden from producing their own food. Governor William Bradford, in his 1647 history, Of Plymouth Plantation, wrote that this system was found to breed much confusion and discontent and retard much employment that would have been to their benefit and comfort. The problem was that young men, that were most able and fit for labour, did repine that they should spend their time and strength to work for other men’s wives and children without any recompense. Because of the poor incentives, little food was produced.

Faced with potential starvation in the spring of 1623, the colony decided to implement a new economic system. Every family was assigned a private parcel of land. They could then keep all they grew for themselves, but now they alone were responsible for feeding themselves. While not a complete private property system, the move away from communal ownership had dramatic results.

This change, Bradford wrote, had very good success, for it made all hands very industrious, so as much more corn was planted than otherwise would have been. Giving people economic incentives changed their behavior. Once the new system of property rights was in place, the women now went willingly into the field, and took their little ones with them to set corn; which before would allege weakness and inability.

Once the Pilgrims in the Plymouth Plantation abandoned their communal economic system and adopted one with greater individual property rights, they never again faced the starvation and food shortages of the first three years. It was only after allowing greater property rights that they could feast without worrying that famine was just around the corner.


Of zoals Adam Smith ons voorhield: "It is not from the benevolence of the butcher, the brewer, or the baker, that we expect our dinner, but from their regard to their own self-interest."

(Het prentje: het graf van Adam Smith, ook in Edinburgh. Een piepklein bronzen plakketje en wat gekleurde kiezelstenen in een grasveldje. Geen mausoleum of protserige gedenksteen of wat dan ook. Mensen houden niet van de markt en van wie de markt prijst, zoveel is duidelijk.)