
In het algemeen zijn we voor de vrije markt. Niet omdat we zo overlopen van bewondering voor ondernemers of omdat we ooit nog eens hopen zelf rijk te worden. Veeleer omdat alle alternatieven hebben bewezen minder te zijn. Vanaf het moment dat de overheid zich met de economie bemoeit, betaal je daarvoor een prijs. Soms weegt die prijs op tegen het eindresultaat, vaak ook niet. Daarom, menen we, denk je als overheid best goed na vooraleer je je met het economisch leven bemoeit.
Dit gezegd zijnde: één van de meer verontrustende berichten van de afgelopen week betrof het
Waasland Shopping Center in Sint-Niklaas. In de krant lazen we dat sinds het Shopping Center vier jaar geleden zijn deuren opende, er een kaalslag plaatsvond in de stad: de winkelleegstand verdubbelde er tot 24%, het aantal winkels in de binnenstad daalde met één derde. Maar ook de handelaars in de wijde omgeving zien zwarte sneeuw. In de dertien omliggende gemeenten trekt 15% van de klanten voortaan naar het nieuwe winkelcentrum in de stad (
De Standaard, 19.03.08). De zelfstandigenorganisatie
UNIZO besluit dan ook dat
shoppingcentra buiten de kern de bestaande handel in de hele regio kannibaliseren.
Waar blijven we nu met onze vrije markt? Fraai, hoor: de grote vissen die de kleine visjes oppeuzelen. En beseffen we wel wat dat voor de stad betekent, al die lege winkelpanden? Zo zet je een vicieuze cirkel in gang: als een winkelstraat een verwaarloosde indruk geeft, blijven nog meer klanten weg, waardoor nog meer panden leegstaan en waardoor. Precies.
Hebben we iets te zeggen ter verontschuldiging van onszelf? Tja, we volharden veeleer in boosheid: net het verhaal van de shoppingcentra bewijst dat de politiek zich beter terughoudend opstelt in kwesties van economische aard.
Grootschalige winkelcentra komen er meestal niet vanzelf. Er moeten bouwvergunningen worden afgeleverd, bestemmingsplannen aangepast, verkeerscirculatieplannen bedacht. Op al die momenten is het de overheid die kan beslissen: doen/niet-doen.
Hoe het in het concrete geval van Sint-Niklaas zat weten we niet, maar heel vaak komt zo’n megacentrum er met de uitdrukkelijke steun van de lokale overheid. Burgemeesters en schepenen willen hun gemeente op de kaart zetten of hopen een doodse buurt nieuw leven inblazen. Meteen worden ze onder de arm genomen door speculanten die nog wel een fijn lapje grond weten liggen en door projectontwikkelaars die komen vertellen hoe geweldig hun plannen wel niet zouden zijn voor de werkgelegenheid in de streek. In geen tijd is de politiek helemaal gewonnen voor het voorstel.
Die overheden laten zich, inderdaad, in de luren leggen door de gladde verkoopspraatjes van de projectontwikkelaars. Ze staren zich blind op de mooie plaatjes, de schitterende maquettes en de toverwoorden
nieuwe jobs en
parkeergelegenheid. Ze zijn niet in staat de gevolgen op termijn op het bestaande winkelaanbod in te schatten. Slimme investeerders spelen ook de ene overheid uit tegen de andere: twee gemeentes verder doen ze niet zo moeilijk, hoor. We kunnen altijd nog met ons project verhuizen: snel, tekenen maar.
Grote winkelcomplexen komen er alleen maar met de uitdrukkelijke steun van de overheid. Reden te meer dus om als overheid goed na te denken over wat je doet als je je met de economie bemoeit.
Maar soms pakt het ook goed uit. Laatst vergeleken ze in
The Economist Londen en Parijs. Waarom is Parijs zoveel leuker? Omdat je er verhoudingsgewijs veel meer kleine winkels vindt. Shoppen in Londen is best wel prettig, maar je kunt tegenwoordig net zo goed naar Birmingham, Frankfurt of Abu-Dhabi trekken: overal vind je filialen van dezelfde winkelketens. In Parijs is het aanbod gevarieerder en daardoor ook origineler. Hoe komt dat?
A strong state has long attempted to defend the French way of life. All the capital's tiny boulangeries, selling freshly baked baguettes in twists or knots, or papeteries with their watermarked writing paper in ribbon-wrapped leather boxes, are kept in business partly by custom and taste. But they are also deliberately propped up by a tightly regulated retail industry, under which hypermarkets are not allowed to sell below cost (
The Economist, 15.03.08).
In Frankrijk zijn ze heel strikt in het toelaten van grote winkels. Uiteraard betalen de Fransen daar een prijs voor: nogal wat consumptiegoederen zijn een stuk duurder. Maar het levert ook wat op: gevarieerde winkelstraten, een grote hoeveelheid kleine zelfstandigen die geworteld zijn in hun buurt en die, op die manier, de kwaliteit van het stadsleven verhogen.
Soms moet je effectief de markt tegen zichzelf in bescherming nemen. Maar ook dan ga je best heel voorzichtig te werk. En je betaalt altijd een prijs.
(Op het prentje: Pieter Breughel de Oudere,
Grote Vissen Eten De Kleine, 1556, Albertina, Wenen.)